1) Hoe lang woon jij hier? Ik woon hier 5 ______.

2) ______ is dat huis? Het is Tessa’s huis

3) Hoe ga je naar het werk? Ik ga naar het werk _____ de auto.

4) Zij ______ elke dag een boek.

5) Het ______ vandaag mooi weer.

6) ______ jij Nederlands?

7) Wij gaan elke week ______ de stad.

8) Ik moet morgen ______ werken.

9) Hij koopt een cadeau ______ zijn moeder.

10) Mijn broer en ik ______ gisteren naar de film ______.

11) ______ wij voor zaterdag afspreken?

12) Hij ______ op school.

13) Ik vind dit boek leuker ______ dat boek.

14) Hij woont sinds vorig jaar ______ Amsterdam.

15) _______ praten ze? Ze praten over de vakantie.

16) De kinderen spelen ______.

17) De vrouw ______ ik heb gesproken, werkt in het ziekenhuis.

18) Als ik tijd ______, ga ik naar de sportschool.

19) Ik kan vandaag niet komen, ______ ik ziek ben.

20) We moeten vertrekken ______ het regent.

21) Het boek ______ ik gisteren kocht, is heel interessant.

22) ______ hij het niet had gevraagd, zou ik niet zijn gekomen.

23) Ik hoop dat je voor je examen ______.

24) Hij heeft de presentatie veel beter gedaan ______ verwacht.

25) De manager, ______ kantoor vlakbij is, heeft het goedgekeurd.

Отримайте авторський чек-лист, відразу після проходження тесту.

На вас чекатиме покроковий план і поради від спеціалістів, про те як правильно вивчати мову.

Отримайте авторський чек-лист, відразу після проходження тесту.

На вас чекатиме покроковий план і поради від спеціалістів, про те як правильно вивчати мову.